toneel (Middeleeuwen)

Print   
De Grieken en Romeinen hadden een bloeiende toneelcultuur, maar deze was in de 6e eeuw na Christus geheel verdwenen, mede onder invloed van de Kerk, die niets moest hebben van deze ‘heidense’ voorstellingen. In West-Europa ontstond het toneel opnieuw in de 10e eeuw. Zoals het Griekse toneel in de 6e eeuw vóór Christus was ontstaan uit godsdienstige plechtigheden rond de god Dionysus, zo kwam het middeleeuwse toneel voort uit de kerkelijke liturgie van feestdagen als Kerstmis en Pasen. Al in de 9e eeuw was men begonnen korte Latijnse dialogen in te lassen in de kerkdiensten; in de 10e eeuw groeiden die uit tot het liturgisch drama: een Latijns toneelstukje, gespeeld door priesters, dat deel uitmaakte van de eredienst. Rond 1100 was hieruit het kerkelijk drama voortgekomen: niet langer een onderdeel van de eredienst maar een afzonderlijke plechtigheid in of bij de kerk, gespeeld door priesters én leken. In de 13e eeuw had dit zich ontwikkeld tot het geestelijk drama, dat in de volkstaal was geschreven en dat door leken op een plein werd opgevoerd. Van het liturgisch en kerkelijk drama is in de Nederlanden vrijwel niets bewaard gebleven; onze geestelijke drama’s stammen allemaal uit de late 15e en vroege 16e eeuw.

In de 14e eeuw ontstond naast het geestelijk het wereldlijk drama. De geschiedenis hiervan is minder zeker. Waarschijnlijk kwam het voort uit voordrachten van minstrelen. Tot in de 13e eeuw hadden die vooral ridderromans ten gehore gebracht, maar in de 14e eeuw werd een ander genre populair: de ‘sproke’, een korte en didactisch gekleurde versie van de oude hoofse ridderromans. Uit de voordracht van deze sproken kwamen - waarschijnlijk rond 1350 - in Brabant de vier abele spelen voort (‘abel’ is: verfijnd, mooi): de eerste wereldlijke drama’s uit heel West-Europa. Voorlopig zullen dat de enige blijven; de volgende die bewaard zijn dateren uit de 15e eeuw.

In de Middeleeuwen werden toneelstukken in de open lucht opgevoerd. Er werd telkens een heel eenvoudig toneel­decor gebouwd; soms werd het hele stuk zelfs op een wagen gespeeld (‘wagenspel’), die van straathoek naar straathoek en van stad naar stad trok, zoals in Mariken van Nieumeghen. Decorwisseling kende men nog niet. Speelde een toneelstuk zich op verschillende plaatsen af, dan werden twee decors naast elkaar gebouwd en liepen de spelers van het ene naar het andere (simultaantoneel). Ook in de latere schouwburgen (de eerste in Nederland was die van Amsterdam in 1637) was aanvankelijk nauwelijks sprake van een decor: een stoel gaf aan dat de scène binnenshuis speelde. Hierdoor hadden de toneelschrijvers de vrijheid voortdurend van plaats van handeling te wisselen. Toen later het decor in zwang kwam, moesten ze zich gaan beperken, omdat slechts tussen twee bedrijven het decor verwisseld kon worden. In het moderne 20e-eeuwse toneel wordt weer vaak zonder decor gewerkt of slechts met een symbolische aanduiding ervan. (Zie ook: enscenering)